Thema: pastoraat

"Ja, we zijn allemaal zondig. Onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad." Tijdens menig pastoraal bezoek wordt dit instemmend beaamd. Maar dan stopt het vaak. Het is een algemene waarheid, die - naar je hoopt ogenschijnlijk - de spreker van deze woorden weinig doet. Wanneer je dan vervolgens vraagt: "Kunt u dan eens tien zonden van vandaag noemen?", dan blijft het vaak beklemmend stil. Bespreken en beleven, mond en hart blijken vaak niet dezelfde taal te spreken.

Hoe belangrijk is het om eerlijk voor onszelf te zijn. In de Belijdenissen neemt Augustinus ons mee naar de diepten van zijn zonden. Hoe doet hij dat? Door de tijd te nemen om zijn leven te overwegen in het licht van Gods aangezicht. Twee voorbeelden kunnen ons helpen.

In boek II blikt hij terug op een perendiefstal in zijn jeugd. Hij vraagt zich af welk voordeel hij had van die peren. Het was puur het doen wat niet mag. Het liefhebben van de diefstal om de diefstal. Vlijmscherp fileert hij als het ware zijn eigen daden. De kwajongensstreek uit zijn jeugd blijkt de kern van zonde te bevatten. Door anderen aangezet om het gebod te overtreden. 'O diep vijandige vriendschap, ondoorgrondelijke verleiding van het mensenhart, belustheid om bij wijze van spel en grappigheid schade aan te richten, drang naar het benadelen van anderen, zonder enig eigen voordeel, zonder enige wraakzucht, alleen maar doordat er gezegd wordt: "Kom, dat gaan we doen!" en men zich dan schaamt om niet onbeschaamd te zijn.' (Belijdenissen, II.9.17, vert. Wijdeveld).

In boek X analyseert Augustinus zijn eigen innerlijk aan de hand van 1 Johannes 2:16 en legt hij de drie genoemde 'hoofdzonden' naast zijn leven. De begeerlijkheid des vleses, de begeerlijkheid der ogen en de grootsheid des levens blijken in ruime mate in zijn leven aanwezig te zijn. Al zijn zintuigen - tasten, smaken, ruiken, horen, zien - én zijn nieuwsgierigheid én zijn trots legt hij naast zijn roeping en opdracht om in alles gericht te zijn op de eer van de Heere. Eén voor één gaat hij alles langs en hij verbloemt zijn gedachten, woorden en daden niet.

Zo spreekt het hart en de stem van het hart vindt bij Augustinus de woorden in de mond. 'Met mijn gewond hart heb ik Uw stralend licht gezien, en toen ik werd afgestoten, heb ik gezegd: "Wie kan daar komen? Ik ben verworpen uit de blik van Uw ogen.'(...) 'Wie kon ik vinden om mij met U te verzoenen?' (Belijdenissen, X.41.66 en 42.67, vert. Wijdeveld). De Middelaar wordt noodzakelijk! Uit deze diepten van de nederigheid rijst de lof op Gods genade in Christus.

Laat in het pastoraat geluisterd worden naar de stem van het hart. Wanneer mensen alleen de taal van het (uiterlijk) belijden spreken, steek - biddend om de leiding van Gods Geest, Die alleen overtuigt van zonde - af naar de diepte van het (inwendig) beleven. Anders stolt het bespreken het belijden van de kerk tot een dode rechtzinnigheid, in plaats van dat het belijden van de kerk de stem van het beleven vertolkt.

 

Henri Keurhorst