Thema: kind met een beperking

Bij binnenkomst in de hal zie ik het al: afwisselend hangende schouders of heel druk praten en gebaren. ‘Succes juf’ denk ik dan. ‘Het kan weleens een pittig dagje worden met Marike.' Tegen etenstijd komt de juf vragen of Marike bij mij mag eten. Boos stapt ze binnen, rukt de stoel bij de tafel vandaan en ploft neer.

Eerst maar even gewoon doorwerken en zo meteen proberen te achterhalen wat er nu precies aan de hand is. Voelt wel een beetje raar; strikt gezien valt dit onder de categorie negeren.

Naast me hoor ik voeten over de vloerbedekking vegen. Uit mijn ooghoeken zie ik haar naar me kijken. Tijd voor een praatje. Ik trek een stoel bij en begin een babbeltje over de leuke broodtrommel met de lekkere boterhammen. Helaas blijkt dat niet de juiste ingang te zijn. Het brood is niet lekker, want het heeft op de grond gelegen. Verbaasd vraag ik hoe de boterhammen daar terecht zijn gekomen.
Stilte.

Zwijgen is goud

Dan barst Marike los. ‘Ik vind het niet leuk. Echt helemaal niet leuk. Mijn nieuwe armbandje is kapot. Mama heeft het gisteren gekocht. Pieter trok eraan en nu kan ik het niet meer om. Toen Pieter eraan trok, werd ik boos en kiepte ik met mijn tafel. De broodtrommel viel op de grond en nou lust ik mijn brood niet. Ik ga het dus niet opeten.’

Zucht! Een kind dat niet lekker in haar vel zit, niet wil eten en straks met de bus naar huis moet… Slechte combinatie!

Toch maar een poging ondernemen om in ieder geval één boterham naar binnen te krijgen. Ik halveer de boterham – twee kleinere stukjes bieden meestal meer overzicht – en denk het eerste stukje richting de mond te kunnen praten. Mis gedacht. Ander verhaaltje. Geen beweging in te krijgen. ‘Je wordt straks in de bus misselijk als je nu niets eet.’ Ik had het kunnen weten, maar zag de signalen van oplopende frustraties over het hoofd. Al pratend ga ik staan om in haar tas te zoeken naar iets anders dan brood. Marike staat ook op, haalt diep adem, roept in haar prachtige dialect: ‘Jie begriept me niet’ en rent naar de deur. Ze rukt de deur open en slaat hem met een klap achter zich dicht. De ruit trilt in de sponning.

Ik kan mezelf wel voor mijn hoofd slaan. Hoe dom om op dit kind in te blijven praten! We voeren soms mooie gesprekjes over wat ze verdrietig vindt. Over de zorgboerderij en over haar verjaardagsfeestje. Die gesprekjes geven de dag een zilveren randje. Vandaag was ze boos; ik had wijzer moet zijn door te kiezen voor het zwijgend goud.

Anna-Sofie van Dam