Thema: pleegzorg

Hartverscheurend! Als ik achterom kijk, zit ze daar. In elkaar gedoken, afhangende schouders, een somber gezicht en de tranen rollen over haar wangen…

We hebben net onze logé thuis gebracht. Het was niet zomaar een logeerpartij. De oudste zus van onze pleegkinderen heeft bij ons gelogeerd. En wat hebben we genoten. Allemaal. Wat hebben ze heerlijk met elkaar gespeeld. Wat hebben ze een lol met elkaar gemaakt. Wat hebben ze in bed nog uren liggen praten en grapjes gemaakt. Wat was het heerlijk om in elkaars nabijheid te zijn. Maar nu is het voorbij…

De jongste zit helemaal verslagen in haar autostoel. Als Joost iets vraagt, krijgt hij een snauw terug. Ze lijkt boos op hem, maar nee, ze is niet boos. Ze is verdrietig, voelt zich verlaten. Dat zegt ze niet, maar als ik me probeer in te leven in hoe ze zich voelt, moet dat het wel zijn. Ik zeg tegen haar: “je bent echt super verdrietig hé. Je mist Rhodé.” Als antwoord gaat ze nog harder huilen. Mijn opmerking was dus de spijker op zijn kop. Ze pakt mijn hand en laat hem niet meer los. Zo rijd ik naar huis; één hand aan het stuur, in de andere hand het handje van Rosalie. Even laten voelen dat ik er voor haar ben.

Thuis pak ik Rosalie op schoot en knuffel haar. We praten samen over de leuke dingen die we gedaan hebben, maar ook over het gemis nu Rhodé weer naar huis is. De heftige emotie lijkt wat minder.

’s Avonds in bed is Rosalie opnieuw erg verdrietig. Ze komt naar beneden en kruipt op schoot. Ze zit te snikken. Ze kan niet slapen, want ze mist Rhodé. Ze wil dat Rhodé op haar kamer is, want nu is ze zo alleen. Ik geef aan dat ik het begrijp, ik begrijp dat ze Rhodé mist. Maar wat ik ook vraag of tegen haar zeg, het lijkt allemaal niet te helpen. Angstvallig vraag ik me af hoe ik hier doorheen kom, hoe ik Rosalie kan helpen. Ik kijk mijn man vragend aan, ook hij weet het niet. Ineens krijg ik een idee, ik bedenk dat gesproken taal direct weg is. Misschien helpt het als ik een tekening maak. Ik pak potloden en papier uit de kast en ga met Rosalie op mijn schoot aan tafel zitten. Eerst teken ik het hoofd van Rosalie. Daar teken ik twee denkwolkjes bij. In de ene denkwolk teken ik twee huizen; in het ene huis woont Rosalie, in het andere Rhodé. In de andere denkwolk komt één huis waarin Rosalie en Rhodé samen wonen. En bij dat ene huis met twee zusjes teken ik alle leuke dingen van de achterliggende dagen: samen slapen, samen spelen, samen naar de speeltuin, samen… Op één papier hebben we nu de fijne en de verdrietige dingen van deze logeerpartij weergegeven. De verdrietige kant vouwen we naar achteren, de fijne kant komt voorop. Rosalies tranen zijn inmiddels opgedroogd. Rustig en gerustgesteld gaat ze weer naar boven, de tekening in haar hand. Deze tekening krijgt een ereplaatsje naast haar bed.

Als ik haar instop, heeft ze nog één vraag. “Waarom kan Rhodé niet gewoon bij ons wonen? Het is toch mijn zus?” Tja, geef maar eens antwoord op die vraag. Zo’n vraag uit een kindermond, raakt de kern van de zaak.

 

Leönie

(pleegmoeder)