Thema: pastoraat

Wie gaat studeren, krijgt niet alleen te maken met de soms agressief-seculiere insteek van universitaire docenten en hoogleraren, maar ook met religie-angst onder studenten. Het laatste voelt een stuk minder stekelig dan het eerste, maar zorgt evenzeer voor grote gevoeligheid in de relatie. Lukt het om als student met een Bijbels-gereformeerde achtergrond tot wezenlijke uitwisseling te komen met moderne medestudenten die zich eigenlijk nog nooit in God of godsdienst hebben verdiept.

Onlangs had ik hierover een leerzaam gesprek met mijn zwager Maarten Vogelaar. Hij heeft zijn sporen verdiend in het studentenpastoraat in Amsterdam, zowel voor studenten van de UvA als voor studenten van de VU. Maarten, kleinzoon van wijlen ds. L. Vogelaar, is alweer een tijd weg uit de Gereformeerde Gemeenten. Maar zoals dat gaat: de Gereformeerde Gemeenten zijn niet weg uit hem. Dat bleek uit zijn verhaal. Eén van Maartens belangrijkste ontdekkingen is namelijk dat moderne, seculiere of zelfs atheïstische studenten het terrein van de godsdienst mijden als de pest, eenvoudig omdat het aanvoelt als een mijnenveld.

Met twee van deze studenten had Maarten een vertrouwensband opgebouwd die het aankon dat beide dames een kerkelijke gemeente bezochten. Toen ze terugkwamen wilden ze daarover enthousiast iets delen. Uit hun tas haalden ze een fles wijn en een stokbrood. Ze hadden namelijk iets heel moois gezien in die kerk. Toen ze Maartens primaire reactie zagen, verkilde de sfeer onmiddellijk. Maarten zag namelijk bleek van schrik. In zijn beleving werd hij plotseling meegezogen in iets van een spel met dingen die hij van huis uit had leren kennen en waarderen als heilig: het Heilig Avondmaal.

Beide studenten maakten van hun hart geen moordkuil: “Maarten, wij hebben kerk en godsdienst altijd gemeden, omdat het aanvoelde als een mijnenveld. Als je erin stapte, kon je zomaar ergens, zonder het te weten, een ontploffing veroorzaken. Jij haalde ons over om er toch in te stappen, en… nu hebben we inderdaad met zo’n ontploffing te maken. Bij jou, off all people!” Maarten kon niet anders dan het toegeven. Ook door aan te geven dat hier een stuk beleving in het geding was die hij niet zomaar even uit kon schakelen of van zich af kon zetten.

Iedere student die wat intensiever omgaat met niet-religieuze studenten zal herkennen hoe gevoelig het kan liggen. Zowel naar buiten toe als binnen de kerkelijke wereld kan er sprake zijn van mijnenvelden. Of van terreinen die zo aanvoelen. Dat schrikt af. Het zorgt voor grote hindernissen, gewoon omdat het zo gevaarlijk aanvoelt. Maartens verhaal zet mij persoonlijk weer aan het denken. Hoe ga ik om met mensen van wie je eenvoudig niet kunt verwachten dat ze zich gemakkelijk en veilig door een veld met zoveel gevoeligheden heen laveren? Dat kunnen buitenkerkelijken zijn, maar ook jongeren uit de eigen geledingen.

Hoe signaleer je dat iets voor mensen aanvoelt als een mijnenveld? Ik denk dan aan vermijdingsgedrag. Maar geen diepe gesprekken aanknopen. Lastige vragen niet stellen. Een uitnodiging beleefd afslaan, met welk excuus dan ook. Zo is er wel meer vermijdingsgedrag te traceren. Hoe ga je ermee om? Op dat punt had Maarten nog een pakkende les voor me. Diversiteit is een voorwaarde om tot echt gesprek te komen. Als verschillende meningen aanwezig mógen zijn, of zelfs bevorderd worden, komt er ruimte om echt – gelijkwaardig – naar elkaar te luisteren. Het christelijk geloof is krachtig genoeg om de confrontatie met die diversiteit aan te kunnen.

Vooral dat laatste heeft mij, als ambtsdrager, veel te zeggen. Zowel in het contact met mensen van buiten, als binnen de eigen geledingen. Als ik spontaan, vriendelijk en vol vertrouwen in de waarheid van Gods Woord een diversiteit aan meningen en gedragingen tegemoet kan treden, zorgt dat ervoor dat mijnen misschien nog wel afgaan, maar dat de ontploffingskracht toch minder is. En daarmee de schade in onderlinge relaties.

Peter van Olst