Thema: Opvoeding jonge kind

De ouders van de 3-jarige Elsbeth vragen zich af of ze zich zorgen moeten maken over het gedrag van hun dochter. Sinds een aantal weken heeft ze het over Saar. Saar is nergens te zien, maar gaat volgens hun dochter overal mee naar toe. In de supermarkt legt Elsbeth koekjes in de kar omdat Saar die lekker vindt. Bij de Hema loopt Elsbeth weg, omdat Saar in een ander gangpad loopt. En als Elsbeth haar beker omgooit, heeft Saar dat gedaan. Ouders vinden dit gedrag wel erg ver gaan en willen Saar het liefst ‘buiten de deur’ zetten. Maar Saar en Elsbeth zijn dikke vrienden…

Imaginair of denkbeeldig vriendje

De ouders van Elsbeth hebben te maken met een denkbeeldig of imaginair vriendje. Denkbeeldige vriendjes en vriendinnetjes blijken vaak voor te komen bij kinderen. In literatuur en onderzoek wordt melding gemaakt van denkbeeldige vriendjes bij ongeveer 5% tot zelfs meer dan de helft van alle kinderen!

Veel kinderen die een denkbeeldig vriendje hebben, ‘ontmoeten’ die voor hun zevende verjaardag. Dus in de peuter- of kleuterfase. Dat is niet zo gek, want als we de ontwikkelingspsychologie erop naslaan, dan zien we dat fantasie en werkelijkheid in de peuter- en ook nog in de kleuterfase door elkaar heen lopen. De fantasie op deze leeftijd is groot en we kennen allemaal de doen-als-of spelletjes die bij deze fasen horen: kleuters die vadertje en moedertje spelen, kleine meisjes die zich een prinsesje wanen en stoere jongens die wel even iemand in de boeien zullen slaan. Daarnaast zien we in deze zelfde leeftijdsfasen dat kinderen leren om vriendjes te maken en een steeds grotere woordenschat ontwikkelen. Gezien de ontwikkeling van kinderen is een denkbeeldig vriendje dus zo gek nog niet.

Een denkbeeldig vriendje kan in principe bij ieder kind horen, maar is in de praktijk vaak het vriendje van creatieve kinderen, die van huis uit een actief leven gewend zijn. Ook komt het denkbeeldige vriendje vaak voor bij enige of oudste kinderen.

Als een meisje een denkbeeldig vriendje heeft, dan is die vaak minder ontwikkeld dan zij, zodat ze er over kan moederen en er voor kan zorgen. Bij jongens zijn het echter vaak vriendjes die hoger staan dan ze zelf zijn: op die manier hebben ze een voorbeeld waaraan ze zich kunnen optrekken.

Net zo onverwacht als een denkbeeldig vriendje gekomen is, kan hij ook weer verdwenen zijn. Soms trekt het vriendje zich wat langzamer terug en hoor je als ouders steeds minder over het vriendje. Sommige onderzoekers denken dat het verdwijnen van een vriendje samen gaat met het beheersen van bepaalde vaardigheden, zoals het kunnen maken van vrienden in de ‘echte’ wereld of het kunnen omgaan met problemen.

De voordelen van een denkbeeldig vriendje

Nu we weten dat denkbeeldige vriendjes vaak voorkomen bij kinderen, kunnen we ons afvragen waarom kinderen die vriendjes hebben. En of we dit als een probleem moeten zien in de ontwikkeling van de kinderen of niet.

Binnen de wereld van de gedragsdeskundigen worden denkbeeldige vriendjes over het algemeen niet gezien als problematisch, maar als een normaal verschijnsel. En dan vooral bij jonge kinderen die nog veel moeten leren op het gebied van taalvaardigheid en sociale interactie. De denkbeeldige vriendjes worden positief geduid als uitlaadkleppen en leerscholen voor peuters en kleuters die in het dagelijks leven veel te verwerken krijgen aan nieuwe ervaringen en indrukken.

De driejarige Elsbeth heeft inderdaad veel indrukken die ze momenteel opdoet. Ze speelt thuis met haar broertje, doet met mama boodschappen, ontdekt nieuw speelgoed en komt regelmatig bij andere mensen over de vloer. Ook gaat ze sinds kort naar de peuterspeelzaal, waar ze nieuwe kinderen ontmoet en waar twee jufs voor haar zorgen in plaats van mama. Saar vergezelt Elsbeth vanaf de eerste dag ook op de peuterspeelzaal. Ze spelen samen in de poppenhoek en in de zandbak bakken ze naast elkaar taartjes. En af en toe troost Elsbeth Saar: ‘stil maar hoor, mama komt je zo weer ophalen’…

Voor kinderen kan het denkbeeldige vriendje veel verschillende functies hebben. Allereerst zorgt het vriendje ervoor dat het kind in alle rust kan oefenen met sociale contacten en het bijbehorende taalgebruik. Het vriendje spreekt niet tegen, valt niet in de rede, wordt niet boos en kan volledig naar de hand gezet worden. Dit maakt dat kinderen hun eigen gedrag, waaronder de dingen waar ze niet goed mee kunnen omgaan, goed kunnen projecteren op het vriendje. Door van een afstand naar het denkbeeldige vriendje (in plaats van hun eigen gedrag) te kijken, lukt het beter om het probleem op te lossen.

Als Elsbeth het bijvoorbeeld vervelend vindt dat ze een glas melk omgooit, maar dat nog niet goed onder woorden kan brengen, kan het dus zijn dat ze daar Saar de schuld van geeft. Ze heeft al wel door dat ze iets verkeerd gedaan heeft (schuldbesef), maar kan er verder niet veel mee. Door Saar de schuld te geven, kan ze tegen Saar wel zeggen dat ze ‘stout’ geweest is.

Daarnaast is een denkbeeldig vriendje gezellig en zorgt die er voor dat je je niet eenzaam voelt. Zo zien we ook bij Elsbeth dat Saar mee gaat naar de nieuwe omgeving van de peuterspeelzaal: deze nieuwe situatie wekt spanning op en Saar helpt Elsbeth eigenlijk om de spanning hanteerbaar te houden. Het kan zelfs zo zijn dat Saar in beeld gekomen is, tegen de tijd dat Elsbeth naar de peuterspeelzaal ging.

Tenslotte kun je als kind door een denkbeeldig vriendje ook de wereld naar je eigen hand zetten; papa en mama beslissen voor het kind in het dagelijks leven, maar in je fantasiewereld kan hij of zij het lekker zelf doen…

De mogelijkheid tot bijsturen

Na het lezen van voorgaande voordelen kan de vraag rijzen of het dan alleen maar positief is om een denkbeeldig vriendje te hebben. In enkele gevallen kan het hebben van een fantasievriendje inderdaad een signaal zijn van ontwikkelingsproblematiek. Dit is vooral het geval als denkbeeldige vriendjes lang blijven bestaan (tot laat in de lagere schooltijd of zelfs daarna) en er in het alledaagse leven van het kind geen ruimte is voor echte vriendjes.

Daarnaast is het wel belangrijk om als ouders de gedragingen van uw kind te begrenzen op het moment dat het denkbeeldige vriendje de dagelijkse gang van zaken in het gezin verstoord. Als papa, mama of andere gezinsleden niet aan tafel mogen zitten om te eten, omdat de stoelen bezet zijn door denkbeeldige vriendjes en zoon of dochter vervolgens boos wordt als iemand het toch waagt om op de stoel te gaan zitten, dan is het tijd om het gedrag wat in te perken. Belangrijk is het wel om op zo’n moment aan te sluiten bij het kind. Wanneer het gedrag als ‘onzin’ of fantasie bestempeld wordt, zal het niet stoppen. Wanneer aangegeven wordt dat de vriendjes al gegeten hebben of beter even op de bank kan gaan zitten, omdat ze haar buikje al vol heeft, zal zoon of dochter veel sneller gehoor geven aan uw vraag.

Concluderend kunnen we zeggen: maak u vooral geen zorgen. Laat Elsbeth bevriend blijven met Saar; gun haar haar maatje en ervaring, maar zorg wel voor begrenzing.

 

Door: Suzanne den Breejen - de Groot, psycholoog bij De Vluchtheuvel

Tips

  • Zie het denkbeeldige vriendje als uiting van de fantasie en creativiteit van uw kind die ten goede komt aan zijn of haar ontwikkelingsproces.
  • Spreek uw kind niet tegen wanneer hij of zij het over het denkbeeldige vriendje heeft.
  • Sluit aan bij de belevingswereld van het kind.
  • Begrens gedragingen van uw kind op het moment dat het denkbeeldige vriendje de dagelijkse gang van zaken binnen het gezin verstoort.
  • Vraag hulp bij een deskundige (orthopedagoog, kinderpsycholoog) wanneer u zich zorgen maakt om uw kind.