Thema: jongerenpastoraat

De Bijbel is ons kostbaarste bezit. Wat een wonder dat aan ons de woorden Gods zijn toevertrouwd, zoals Paulus dat uitdrukt in Romeinen 3. Leven in de lichtkring van Gods openbaring tot zaligheid maakt een groot onderscheid waar van nature geen onderscheid is. Zó groot dat Paulus de heidense man van een christelijke vrouw in 1 Korinthe 7 ‘geheiligd’ noemt. Haar kinderen, met wie ze in de opvoeding over de zaken van de Heere spreekt, heten ‘heilig’. Ze zijn apart gezet. Hun leven heeft een andere bestemming gekregen. De mest die aan de wortel van hun levensboom wordt gelegd, vraagt om vrucht.

Het is daarom niet gek dat we met elkaar aandacht besteden aan de zorgvuldige omgang met dit kostbare bezit. De discussie over het gebruik van de Statenvertaling is daarvan een voorbeeld. Ons kerkverband heeft daarover een duidelijke positie ingenomen. Maar ontwikkelingen gaan voort en de vraag of met name jongeren verstaan wat ze lezen, dringt zich steeds sterker op. Kunnen moeilijke woorden worden aangepast? Is een herziening mogelijk? Of een herziening van de herziening die er al ligt? Dat we daar met elkaar niet uitkomen, houdt ons een spiegel voor. Hoe kunnen mensen die allemaal principieel voor het vertalen van de Bijbel zijn, toch zo verlammend verdeeld blijven?

Wat in elk geval te doen staat, is te gebruiken wat we hebben. Lees je Bijbel! Doen we dat nog? In onze tijd van ontlezing is dat een zorg. Excuses worden gemakkelijk gevonden. De één hekelt het kerkelijke standpunt – en legt z’n Statenvertaling met een zucht terzijde. De ander leest z’n dagelijkse stukje zonder poging tot begrip – toch principieel trouw aan de geldende regel. Zijn we stiekem met de een blijer dan met de ander? Bewogenheid zou moeten aandrijven om naast ze te gaan zitten met de vraag van Filippus. Wat lees je daar? En begrijp je het ook? Wat zou dat een goede gesprekken kunnen opleveren, waarin we samen leren lezen, leren luisteren.

Het gezinsleven, lessen op christelijke scholen en kerkelijke verenigingen maar in het bijzonder de catechisatie bieden daarvoor uitstekende momenten. Misschien moeten we wat minder redeneren en argumenteren en wat meer oefenen in het samen luisteren naar de Schrift. Op school en in de kerk krijg ik daar af en toe de kans voor. Met verschillende groepen stond ik stil bij 2 Tim. 3: 16 en 17. Zoek die tekst eens op. En nodig jongeren eens uit om alle vragen die bij ze opkomen aan de tekst te stellen. ‘Wat wordt hier eigenlijk bedoeld met de Schrift?’ ‘Staat er nu dat de Bijbel voor verbetering vatbaar is?’ ‘Wie moet er eigenlijk weerlegd worden en wat betekent dat?’ ‘Waarom onderwijzing in de rechtvaardigheid en niet, bijvoorbeeld, in de barmhartigheid?’

Of bij vers 17: ‘Wie is eigenlijk een mens Gods?’ ‘Kan een mens Gods op aarde volmaakt zijn?’ ‘Kun je helemaal toegerust zijn om goede werken te doen?’ ‘Geloven wij dan in goede werken?’

Als we echt gaan Bijbellezen met de jongeren is het goed mogelijk dat we snel een stuk nood zullen ervaren. Voor hen, maar misschien ook wel voor onszelf als ouderen. Zou die nood ons niet dichter bij elkaar kunnen brengen? Zou het er ook niet toe leiden dat we meer waarderen wat we hebben? Onze Bijbel, door-ademd van de Geest van God… laten we hem niet als de ontrouwe dienaar zijn ene talent in de grond stoppen omdat het allemaal zo lastig is wat er omheen speelt. Te midden van verwarring en verstarring mogen we woekeren met ons kostbaarste bezit. 

Peter van Olst