Thema: pastoraat

Het is alweer enige tijd geleden dat ik in onze gemeente een preek las van wijlen ds. G. van Reenen. De boeiende behandeling van Jesaja 49 vers 2b vertrok bij de overtuiging dat Christus Zelf de zuivere pijl is, waarmee God het hart van verloren zondaren treft. Het was goed om te horen dat de preek tot zegen mocht zijn. Toch was er een zinnetje dat bij voorbereiding en voorlezen bleef haken, en waarvan ik me ook later nog afvroeg of dit nu een geheel juiste verwoording van de Bijbelse waarheid zou zijn. Dat was dit zinnetje: "De eis die God in de Persoon van de Vader stelde, is door God in de Persoon van de Zoon genoeg gedaan".

Al langere tijd valt me op dat veel mensen worstelen met de vraag wat het Vaderschap van God nu precies betekent. Neem bijvoorbeeld de jonge studenten die onlangs na de godsdienstles kwamen vragen of zij God als Vader mochten aanspreken. Het was over het 'Onze Vader' gegaan. De vragen die dat opriep, luidden als volgt. Mogen alleen echte discipelen dat zeggen? Wat is dan een echte discipel? Voor wie is God een Vader? Is God alleen een Vader voor wie in Christus zijn? Buiten Christus is God immers een verterend vuur? Is God dan een heel strenge, vertoornde Vader van Wie weinig heil te verwachten is?


In het bovenstaande zinnetje komen God de Vader en God de Zoon ongewild toch min of meer tegenover elkaar te staan. God de Vader eist, God de Zoon betaalt. Natuurlijk is trinitarisch spreken voor ons kleine mensen met ons beperkte begripsvermogen altijd ontzettend moeilijk. God is één in Wezen en drie in Personen... wie kan dat bevatten of onder woorden brengen? Dat God in en door Zijn Zoon genoeg heeft gedaan voor ieder die in Hem gelooft of nog geloven zal, lijkt een juiste verwoording van wat de Bijbel daarover te zeggen heeft. Maar leidt het verbinden van het eisen met vooral de Persoon van de Vader niet tot een versmalling van wat de Bijbel ons te zeggen heeft over God de Vader?


De Duitse kerkhistoricus Von Harnack heeft duidelijk gemaakt dat er in heel de kerkgeschiedenis telkens weer twee scholen naar voren komen als het gaat om het spreken over de heilige Drie-eenheid. De ene school legt het accent op de eenheid van het goddelijke Wezen, de andere op het onderscheid van de Personen. Zelfs binnen de Reformatie zijn deze stromingen aanwezig. Waar Luther de nadruk legde op Christus als God Zelf gekomen in het vlees, had Calvijn juist aandacht voor wat God de Zoon hierin deed en hoe God de Vader daarop en daarbij was betrokken. Niet vreemd is dus dat in de calvinistische traditie waarin we staan dat onderscheid tussen de goddelijke Personen steeds wat verder is uitgewerkt.


Toch is er een grens waarbij we halt moeten houden. Als we merken dat Gods Vaderschap in de beleving van mensen vooral met dreiging wordt verbonden en het Zoonschap van God daartegenover met barmhartigheid, zijn we de grens gepasseerd. Vaderschap is immers al zo'n kwetsbaar begrip in een wereld vol menselijk, falend en ontaard vaderschap. De vraag wat het betekent dat God Vader is, ook voor wie voor het eerst van Hem hoort en zelfs voor wie zelf liever z'n erfdeel opvraagt en van Hem wegrent, verdient een evenwichtig, zorgvuldig en compleet Bijbels antwoord. Juist in het pastoraat, waarin de vragen rondom Gods leiding, Gods raad, Gods bestuur en Gods almacht zo hoog kunnen oplopen.


Prof. dr. A. van de Beek, die met zijn eigenzinnige theologie wel vaker een nuttige spiegelfunctie vervult, heeft opgemerkt dat het ons in de dogmatiek eigenlijk aan een 'patrologie' ontbreekt. We hebben wel een leer van de Zoon (Christologie) en een leer van de Geest (pneumatologie), maar geen leer van de Vader (pater). We hebben het dan al snel over de theologie, alsof de Vader de eigenlijke God is. Hoewel die verdeling al oud is, zien we toch dat onze gereformeerde belijdenisgeschriften in het spreken over de onderscheiden Personen in de Drie-eenheid voorzichtig zijn. Nergens komen ze tegenover elkaar te staan. Het gaat over God de Vader en de schepping, God de Zoon en de verlossing, God de Geest en de heiligmaking (Heidelbergse Catechismus). Of over de Vader en de verkiezing, de Zoon en de verzoening, de Geest en de bekering (Dordtse Leerregels).


Zonder meer is het waar en Bijbels dat God eist. Maar daarbij gaat het volgens Zondag 4 niet over specifiek over Vader of Zoon. Het gaat over Gods deugden, waar Hij geen afstand kan of wil doen; en dan in het bijzonder om Zijn gerechtigheid. Dat is een eigenschap van Zijn Wezen, helemaal integraal, van Vader, Zoon en Heilige Geest. En waar het gaat om de verlossing uit de ellende, gaat het evenzeer om Vader, Zoon en Geest. Daarom leert de Zoon als Hoogste Profeet en Priester eenvoudige, zondige mensen bidden: 'Onze Vader, Die in de hemelen zijt... "Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons de kinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke", legt Zondag 46 uit.


Wie verder leest in Zondag 46 zou kunnen denken dat dit alleen voor verzoende zondaren van betekenis is. Het oude schatboek van Zacharias Ursinus, één van de twee auteurs van de Heidelberger, legt het echter zo uit: "God is onze Vader. 1. Vanwege de schepping, zoals Adam speciaal een zoon van God" heet" (...) 2. Vanwege de verlossing, omdat Hij ons, door en om Zijn Zoon, de Middelaar, verlost en weer in genade aangenomen heeft (...) 3. Vanwege de heiligmaking of wedergeboorte door de Heilige Geest. God wil weer door ons aangeroepen worden met de naam Vader. Allereerst, opdat wij daardoor gebracht zouden worden tot kennis en aanroeping van de enige en waarachtige God..."


Het is waar dat Gods Vaderschap tegenwoordig ook wel eens heel algemeen wordt opgevat, waardoor Zijn verhevenheid en onze eerbied een knauw krijgen. Daar moeten we zeker voor waken. Maar wie het bovenstaande op zich laat inwerken, kan Gods Vaderschap niet beperken tot strengheid of hardheid. Wie Ursinus' gedachten meeneemt in het pastoraat, weet dat niemand verloren gaat omdat God geen Vader wilde zijn, maar omdat wij van nature geen kinderen wilden of willen zijn.

Peter van Olst