Thema: Opvoeding

Het is regenachtig en een beetje triest weer. De kinderen zijn vrij vanwege een studiedag. De eerste helft van de morgen hebben de kinderen zich prima vermaakt. Maar de jongens zijn nu duidelijk toe aan wat anders. “Mam, ik verveel me…Weet u nog iets leuks om te doen?"

Ineens schiet me te binnen dat ik best met ze kan gaan collecteren in het ouderencomplex. Het is daar overdekt en zo eind van de morgen lijkt me daar een geschikte tijd om langs te gaan. "Yes! Mag ik aanbellen?” “En ik wil de collectebus dragen.”

Mooi. Laten we meteen maar gaan. Want stiekem hou ik helemaal niet van collecteren. Maar aangezien het wel nodig is en onze vier basisschoolleerlingen er dol op zijn, doe ik het toch. De jongens lopen over van enthousiasme. We rennen zo ongeveer naar de plaats van bestemming. Alle flatwoningen staan in een vierkant om een binnentuin met leuke trapjes en een lift. En bij elke voordeur is wel wat bijzonders te bekijken.

“Ik wil eerst.” ”Nee, jij mocht de collectebus dragen dus nu mag ik aanbellen.” “Sst..jongens. Zachtjes! “ Fluisterend spreek ik af wie er eerst mag. In het begin gaat het prima. Ze zijn onder de indruk van het gewicht van hun taak en vinden het een geweldige ervaring om zomaar bij elke deur om geld te mogen vragen.

Maar na een half uurtje ontdekken ze een heleboel andere interessante dingen. “Mam, kijk es! Deze meneer heeft echt leuke molentjes staan! Ze draaien echt.” En natuurlijk worden de molentjes die er in alle soorten en maten staan meteen uitgeprobeerd. “Niet aankomen, hoor. Kijk es! Ik zie iemand aankomen! Kom eens gauw hier bij de deur staan..” Een paar deuren verder is een superleuke vogeltjesbel. Onze zoon van 8 drukt er gauw nog een keer op. “Joh! We hebben nog maar net aangebeld! Wat moeten ze wel denken?” “Maar ik wil weten of er 1 soort geluid of verschillende wijsjes op staan! En als ze opendoen kan ik daarna niet meer op de bel drukken!” zegt hij op een manier waaruit blijkt dat het toch volkomen logisch is wat hij doet.

Dan doet er een allervriendelijkste meneer open. Natuurlijk wil hij geld geven voor zo ’n belangrijk doel. Hij doet wat muntgeld in de bus. Onze jongste zoon kijkt sip. “Is het niet goed?” vraagt de meneer. “Ik hoopte dat u er een briefje in zou doen”, zegt zoonlief bedeesd. Ja, want er wordt goed bijgehouden hoeveel ze ophalen. Natuurlijk niet bij elkaar opgeteld, want dan weet je niet wie er straks gewonnen heeft. En met briefjes gaat het bedrag wat jij ophaalt, aanzienlijk omhoog. Even later ben ik hem kwijt. Gezien zijn ondernemingsdrang heb ik zo ’n half vermoeden wat er speelt. En ja hoor, een verdieping hoger vinden we hem weer. Hij was daar zelf gaan collecteren. Dat schiet harder op dan de collectebus delen met je broer. “Mam!” roept hij al van ver “Van deze meneer heb ik net 10 euro gehad! Dus nu sta ik voor."

We gaan naar huis besluit ik. Niet dat we klaar zijn, maar ik ben bekaf. Geschokt door mijn opvoedresultaten. "Mogen we vanavond weer mee?” “Nou nee, vanavond zijn de meiden aan de beurt”,  zeg ik. Ik bedoel eigenlijk: Ik verlang naar herstel van mijn ideaalbeeld: een moeder die een paar lieve kids mee langs de deur neemt om ze te leren iets te betekenen voor hun naaste in nood. Want dat beeld ligt nu even in gruzelementen.

Mathalie de Wildt